Home | Contact | Informatie | Blog

Blog

dinsdag, 13. November 2012 - 10:57 uur
Nieuwe pennen

De nieuwe pennen zijn binnen. Kom langs bij onze stand op de Taaltrainersdag in Breukelen op 17 november om er een te halen!

dinsdag, 13. November 2012 - 10:51 uur
TPRS op de basisschool

TPRS op de basisschool is toch wel echt iets anders dan TPRS op de middelbare school of aan volwassenen. Meer wisselen tussen activiteiten, meer begripscontroles, met name bij de jongere kinderen, want die vinden het helemaal niet erg als ze iets niet begrijpen. Ze kunnen heel blij en vrolijk meedoen met een liedje, meezingen en gebaren maken, zonder ook maar enig idee te hebben waar het liedje over gaat. Als docent heb je al snel het idee dat het uitstekend gaat :-) Maar juist vanwege hun grote tolerantie voor onbegrijpelijke taal is het voor de docent zaak om extra duidelijk te zijn en goed op te letten en te checken of het wel echt aankomt. In mijn demonstratie voor de onderbouw, gisteren op de studiedag/netwerkbijeenkomst Español en la primaria, ging ik daar goed mee de mist in. Mijn "kindertjes" (docenten Spaans) dachten dat ik het over vlechtjes en een pet had, waar ik een meisje en een jongen bedoelde! Gelukkig is dat weer goed gekomen, en heb ik ook weer wat geleerd :-)

Verder was de cursus TPRS voor het basisonderwijs weer erg leuk om te geven, en gezien de reacties van onze cursisten ook erg leuk om te volgen. Heb je interesse? In februari start weer een nieuwe cursus. Kijk bij "workshops" voor meer informatie.

dinsdag, 13. November 2012 - 10:48 uur
Zo fijn is coaching

De neiging bestaat om als je over een congres praat alleen over de inhoud van de workshops en de de workshopleiders te vertellen. Dat zal ik dan ook zeker nog doen. Maar op het TPRS-congres in Las Vegas van afgelopen zomer waren het ook de deelnemers die indruk maakten. Wat ik vooral bijzonder vond was de bereidheid van veel deelnemers om zich te laten coachen. Het is één ding om in een workshop te luisteren naar nieuwe informatie en een verwerkingsopdracht uit te voeren, iets heel anders is het om voor het kritisch oog van een groepje collega’s je nieuw verworven vaardigheden uit te proberen en je daarbij ook nog eens te laten coachen! Dit is, geloof mij, echt doodeng. En toch heeft de hele week de coachingszaal vol gezeten met docenten die deze stap durfden te zetten.
Ik ben zelf een aantal keer gecoacht en heb ook bij verschillende coachingsgroepjes gezeten om te observeren. Het was werkelijk verbluffend om te zien wat een sprong in hun ontwikkeling de docenten maakten die een half uurtje lesgaven onder begeleiding van een coach. Ik heb docenten gezien die in het begin na iedere zin stilvielen en na twintig minuten schijnbaar moeiteloos de ene vraag na de andere afvuurden. Docenten die van een stijve hark veranderden in een expressieve vragensteller, en docenten die in het begin niemand durfden aankijken stapten na twintig minuten oefenen al rechtstreeks op ‘leerlingen’ af om hen bij de les te betrekken. De aanmoediging en de vriendelijke en concrete hulp van de coaches bracht deze docenten niet één, maar meerdere stappen verder. Ik heb met ontroering zitten kijken naar de bemoedigende houding van de docenten die even ‘leerling’ waren, de moed van docenten om de sprong in het diepe te wagen, en het gegroeide zelfvertrouwen (en de opluchting) wanneer ze hun beurt afsloten.

Kirstin

dinsdag, 13. November 2012 - 10:47 uur
Hotelschooljargon personaliseren

Tijdens mijn Spaanse lessen op de Hotelschool oefen ik het ‘huis-tuin-en-keuken’ Spaans graag d.m.v. persoonlijke gesprekjes met mijn studenten. Op die manier bepalen zij voor een groot deel de onderwerpen die aan bod komen, terwijl ik via het stellen van allerlei cirkelvragen ervoor zorg dat de relevante grammaticale structuren voldoende aan bod komen.
Ook het inoefenen van vakjargon en standaard hotellerie-structuren vormt echter een belangrijk onderdeel van de les. Maar ja, hoe maak je iets wat standaard is nu interessant en persoonlijk?

Voor mij heeft personalisatie in TPRS altijd betekend ‘cirkelvragen stellen rondom de interesses/voorkeuren/ervaringen van je studenten’, maar nadat ik deze zomer naar de TPRS-Conferentie in Las Vegas ben gegaan, is het me meer en meer duidelijk geworden dat een eenduidige interpretatie van ‘persoonlijk’ niet bestaat. Voor de ene docent is het bepalen dat ‘student X een fan is van Y’ persoonlijk, omdat je de les opbouwt rondom deze student (ook al is hij/zij in het echte leven misschien helemaal geen fan van Y), terwijl de ander een kort klassengesprekje aan het begin van de les over het thema van die dag, om het ijs te breken en de groep een bepaalde focus bij te brengen, al voldoende vindt.
Dit inzicht gaf me nieuwe inspiratie om verder te gaan experimenteren: vorige week ben ik weer begonnen met lesgeven, en heb ik mijn studenten als opdracht gegeven hun favoriete (droom-)restaurant & hotel, en favoriete persoon te tekenen, met daarbij een paar steekwoorden in het Spaans. Deze tekeningen heb ik voor mezelf gekopieerd, zodat ik ze het hele blok (= bij ons acht weken) bij de hand heb. Vervolgens heb ik samen met de studenten een setting gecreëerd waarin droomhotel X en favoriete persoon Y (= voorkeuren van willekeurige studenten) de hoofdrol spelen. Eén van mijn studenten was de receptionist. Toen heb ik samen met hen de checking-in procedure via het stellen van cirkelvragen doorgenomen (“Zegt Priscilla (=student/receptioniste) tegen persoon Y Goedemiddag, meneer/mevrouw Y, welkom in hotel X. Waar kan ik u mee van dienst zijn? of zegt ze Goedemiddag, mag ik je paspoort” etc. etc.).

De studenten keken in het begin nogal op van deze ‘kinderachtige’ werkwijze, maar vonden het gaandeweg wel grappig, had ik het idee. Voor mij was het echter hard werken, omdat ik merkte dat mijn studenten gehinderd werden door hun algemene kennis van de check-in procedure (“Maar je zegt als receptionist toch niet alleen de naam van het hotel, maar ook je eigen naam??” etc.). Hierdoor luisterden ze niet goed naar hoe ze deze standaard stappen in het Spaans moeten zeggen. Dat had ik niet voorzien..!

Nou ja, ik probeer dit de komende weken bij te stellen en dan hoop ik dat ik wat handiger wordt in deze werkwijze. Ik houd jullie op de hoogte van mijn vorderingen!
Groetjes, Iris

dinsdag, 13. November 2012 - 10:40 uur
De kunst van het cirkelen

Cirkelen, één van de basisvaardigheid binnen TPR Storytelling, is het zodanig flexibel omspringen met de verschillende cirkelvragen en zinsdelen dat het de leerlingen niet opvalt dat je keer op keer vragen stelt waarop het antwoord besloten ligt in de doelconstructie; deze zijn immers vooral bezig met de betekenis van al die verschillende vragen.
Juist het constant belichten van die verschillende zinsdelen uit de doelconstructie kan echter wellicht op den duur saai worden, zowel voor jezelf als voor je leerlingen.

De volgende tips kunnen je misschien helpen het cirkelen een grotere dynamiek te geven:

1) Stel niet alleen inhoudsvragen, maar vraag ook eens naar de betekenis van een grammaticaal element (“* Waarom staat hier ‘was’ en niet ‘waren’? * Omdat het over Julia gaat, en niet over Julia en Joris.”);

2) Focus in je vraagstelling niet alleen op de hele groep, maar spring regelmatig naar een individuele leerling (en weer terug).

3) Stimuleer de leerlingen om met hele zinnen te antwoorden door de vraag niet toe te spitsen op één zinsdeel, maar op meerdere zinsdelen tegelijk (“* Zit Victor om 10 uur ’s avonds nog te werken of zit hij al om half negen voetbal te kijken? * Victor zit om 10 uur ’s avonds nog te werken.”);

4) Ook kun je kleinere groepjes in je klas tegen elkaar ‘uitspelen’, bijvoorbeeld jongens vs. meisjes, linker- vs. rechterkant van de klas etc. etc . Dit werkt vooral goed wanneer je vist naar nieuwe details om het verhaal/de scene verder te brengen: “* (docent) Sander gaat naar een concert. Meisjes, naar welk concert gaat Sander? *(meisjes): naar een concert van Justin Bieber! *(docent) Jongens, gaat Sander naar een concert van Justin Bieber..???? * (jongens) Nee, naar een concert van Normaal!”, etc. etc.

Ik hoop dat jullie deze tips nuttig vinden!

dinsdag, 13. November 2012 - 10:39 uur
Een prijs voor salto's

Volwassen mensen betalen grif geld voor dure cursussen om te leren wat een kind van rond de acht jaar zomaar uit zichzelf doet. Zie een kleurig koffietentje in Leeuwarden. Op tafel staat een kaartenhouder met een aanbeveling van koffie met appelgebak erin. Een jongetje van acht haalt het kaartje eruit en bestudeert de spiraalvorm van het houdertje. “Dit zou ook een prijs kunnen zijn”, zegt hij, en mijmert verder: “een prijs voor mensen die salto’s kunnen maken, kijk maar.” Zijn vinger glijdt over de spiraal en toont aan waarom dit zo’n goede prijs voor salto’s makende mensen zou zijn. Ik kijk toe en besef dat dit creativiteit is: connecties zien waar niemand anders ze ziet, mogelijkheden en verhalen vinden in dagelijkse dingen. Dit is ook de manier van denken die we in TPRS proberen te bevorderen bij onze leerlingen, en niet in de laatste plaats bij onszelf. Dit is de manier van denken waardoor verhalen écht verrassend worden. Ik dacht van mezelf, na jaren TPRS, dat ik al best wat leuke gedachtensprongen kon maken. Maar sinds het koffietentje weet ik dat ik nog veel moet leren. Ik begin meteen: “Hee, een gaatjesprikker. Dat zou ook een ... kunnen zijn!”
Wie heeft een leuk idee?

woensdag, 25. April 2012 - 10:24 uur
Einde van het jaar

Ja, de meesten van jullie staan nog wel een paar maanden voor de klas, maar mijn cursus voor volwassenen loopt alweer op het eind. De laatste les van het jaar zondig ik altijd even tegen het input-vóór-alles-principe, en laat ik mijn cursisten een hele les lang zelf praten. De beginners krijgen de belangrijkste structuren van de afgelopen cursus op het bord, de gevorderden mogen zelf wat bedenken. Een leuke conversatie-ketting is de volgende. We werken in tweetallen.
-stel je partner drie vragen. Probeer iets bijzonders te weten te komen, dus denk goed na over leuke/aparte vragen.
- je partner beantwoordt de vragen. Op één vraag geeft hij/zij een verzonnen antwoord, de "mentira" (leugen).
- noteer de antwoorden en wissel van rol.
- wissel van partner.
- vertel je nieuwe partner wat je vorige gesprekspartner je heeft verteld. Je nieuwe partner noteert de antwoorden.
- wissel van rol.
- je hebt nu informatie over iemand met wie je zelf niet hebt gesproken. Vertel die informatie aan de klas. Welke informatie denk jij dat gelogen is?

In deze oefening komen zowel de 1e, 2e als 3e persoon aan bod. Bij de beginners schrijf ik vóór iedere ronde de juiste vormen op het bord.
Bij het aan de klas vertellen/voorlezen van de informatie stel ik, als het wat veel is of voor sommigen onbekende woorden bevat, begripsvragen om de informatie in stukjes op te delen en begrijpelijk te maken.

In aansluiting hierop kun je een liedje laten horen (en lezen) dat over liegen gaat. In het Spaans: Vamos a contar mentiras (kinderliedje), of La Paga van Juanés.

Laat het ons weten als je dit hebt uitgeprobeerd!

Kirstin

woensdag, 25. April 2012 - 10:14 uur
Vaart in het verhaal

Afgelopen week heb ik weer eens een ouderwets verhaal gebouwd met mijn klas (een nieuwe groep, enige voorkennis).
Inhoudelijk was mijn doelstelling de verleden tijden te introduceren, gekoppeld aan vocabulaire gerelateerd aan een hotel (receptie, vijf sterren, restaurant, check-in etc.). Qua vorm wilde ik graag wat meer vaart in het verhaal, omdat ik regelmatig aanloop tegen het feit dat ik blijf ‘hangen’ in minder belangrijke details van het verhaal.
De vaart lukte prima; ik ging met grote stappen van scene naar scene. Mijn aandacht voor het cirkelen verslapte hierbij echter, terwijl ik heel goed weet dat dít juist de basis is van TPRS! Volgende keer ga ik proberen een betere dynamiek te creeeren tussen acties (de verschillende scenes) en de details (het inkleuren van deze scenes). Door deze betere dynamiek komt het verhaal automatisch beter op gang. Hebben jullie hier ervaring mee? Hoe pak je dit aan?
Grappig is dat je er zelf wel van kunt balen dat je verhaal niet uit de steigers kwam, maar dat je leerlingen elkaar dan weer aanstootten met de opmerking ”this is so much more fun than our English course”. Dat geeft de burger weer moed .
Met dank aan Kirstin voor de fijne observaties!!
Iris

woensdag, 25. April 2012 - 10:13 uur
Laagdrempelige grammatica

Sinds ik TPRS gebruik in mijn lessen (Spaans – Hotelschool/HBO), ben ik me gaan realiseren dat mijn leerlingen niet vlotter gaan spreken door het bespreken van grammaticale regels (bijv. “zelfstandige naamwoorden op –(d)ad zijn altijd vrouwelijk”). Wat wel helpt, is de grammatica bespreken in context (“zie je die –O- in ‘hablO’? Dat komt omdat het (verhaaltje) over ‘ik’ gaat”). Dat betekent dat je enkel de gegevens uit de context gebruikt om een grammaticaal fenomeen toe te lichten. In eerste instantie geef je zelf de verklaring, maar na enkele keren hetzelfde verschijnsel te hebben belicht, vraag je de klas de uitleg ervan te geven. In een zinnetje als “Gisteren ging Jan naar de markt”, wil ik graag dat mijn leerlingen gaan letten op de verleden tijd ‘ging’. Ik wijs herhaaldelijk op de combinatie van ‘gisteren’ en ‘ging’, totdat de leerlingen zelf antwoord kunnen geven op mijn vraag ‘waarom staat er ging’? (antwoord: omdat het ‘gisteren’ gebeurde).
Wat ik zelf vervolgens erg prettig vind, is de grammatica contrastief aan te bieden, dus verschillende grammaticale verschijnselen (in verschillende contexten) tegenover elkaar te zetten. Ga ik nogmaals uit van de constructie “Gisteren ging Jan naar de markt”, wordt mijn contrastvraag ‘Ging jan gisteren naar de markt, of gaat Jan vandaag naar de markt?’).
Door herhaaldelijk of-vragen te stellen rondom twee verschillende werkwoordstijden, probeer ik mijn leerlingen de context rondom deze tijden mee te geven.
Een extra manier om verschillende grammaticale verschijnselen in te slijten is deze te koppelen aan een fysieke handeling. Je kunt leerlingen bijvoorbeeld in groepjes een grammaticale vorm laten vertegenwoordigen (verschillende werkwoordstijden: een ‘vandaag’-groepje, een ‘gisteren’-groepje, een ‘morgen’-groepje etc.).
Wanneer je nu verschillende scènes/zinnetjes uit een bestaand verhaaltje vertelt (“Jan ging naar de markt”) en deze qua grammatica regelmatig wijzigt in ‘parallelle’ versies -“Jan gaat naar de markt”/”Jan zal naar de markt gaan”-, vraag je de verschillende groepjes op te staan als ‘hun’ versie wordt genoemd. Je kunt ook een aantal leerlingen de opdracht geven naar het juiste groepje te lopen telkens wanneer jij een zin/scène opnoemt.

[Deze blog verscheen ook op Digischool]

donderdag, 23. februari 2012 - 10:56 uur
Verhalen rond aanwijzende voornaamwoorden

Een tijdje geleden gaf een collega aan het moeilijk te vinden een verhaaltje te bouwen rondom de aanwijzende voornaamwoorden. Nadat ze de verschillende opties had besproken en gecirkeld (bijvoorbeeld: “Wil Henk deze of die fiets?”), liep ze vast en had ze geen inspiratie meer om het verhaaltje verder te brengen.
Dit ‘probleem’ kun je op verschillende manieren oplossen:
a) We zijn snel geneigd de aanwijzende voornaamwoorden te gebruiken in combinatie met het lijdend voorwerp. Probeer ze echter ook eens te koppelen aan het onderwerp of plaatsbepaling (“Willen deze meisjes of die meisjes een nieuwe jurk?”, “Gaat Jan naar deze winkel of die winkel?”, etc.);
b) Beeld de aanwijzende voornaamwoorden fysiek uit: hang relevante foto’s/plaatjes op verschillende plaatsen in je lokaal of zet voorwerpen her en der in de ruimte neer.
Ook kun je je leerlingen individueel of in groepjes de rol van onderwerp, voorwerp of locatie geven. Zorg ervoor dat ze zich verspreiden door de klas.
Koppel vervolgens de foto’s/voorwerpen/leerlingen aan een van de aanwijzende voornaamwoorden en wijs of loop naar de verschillende ‘locaties’ telkens wanneer je een ander aanwijzend voornaamwoord belicht.
c) Gebruik extra details om ‘deze/die’-locatie of ‘dit/dat-voorwerp’ interessanter te maken, dus ‘die fiets, met de roze trappers’ in plaats van enkel ‘die fiets’.
d) Creëer een parallel verhaal rondom een persoon die niet ‘deze pennen wil’, zoals de hoofdpersoon uit het oorspronkelijke verhaal, maar juist ‘die (pennen), daar bij het raam’.
e) Dit laatste kun je ook doen wanneer je in gesprek gaat met je leerlingen (“Wil jij (= leerling A) dat boek, met de gouden kaft, of wil (leerling B) dat boek?” “Nee, (leerling B) wil niet dat boek, met de gouden kaft, maar dit boek, dat behoorlijk duur is”, etcetera.
Ik hoop dat jullie wat hebben aan deze tips. Veel succes met het uitproberen ervan!
Groetjes,
Iris
[dit stukje verscheen ook op http://wp.digischool.nl/tprs/]

Oude bijdrage

Start sessie